Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020

Onder 26.31. Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:714.

Wat betreft de duur van de blootstelling heeft [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] de relevante blootstellingsperiode bij [werkgever] gesteld op 23 jaar (1977-2000). (…) [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] omschrijft het begrip “latentietijd” als de periode tussen het begin van de blootstelling en het vaststellen van dc aandoening. Hij heeft tijdens de comparitie nader toegelicht dat hij geen jaren van het schilderwerk heeft afgetrokken omdat het mogelijk is dat de laatste jaren blootstelling bij [werkgever] “de druppel” was waardoor de kanker is ontstaan. Dat is niet onverenigbaar met zijn standpunt dat voor de jaren dat [wijlen de werknemer] als vrachtwagenchauffeur heeft gewerkt in 1959-1968 de weegfactor op 50% zou kunnen worden gesteld. Hij heeft daarvoor als motivering gegeven dat die periode aan de buitengrens van de latentietijden ligt. Gelet op de wijde range van de in de literatuur genoemde latentietijden (3-64 jaar) kan geen van de werkzaamheden in het arbeidsverleden van [wijlen de werknemer] waarin blootstelling aan blaascarcinogenen stoffen heeft plaatsgevonden, worden uitgesloten, maar gezien de duur van zijn dienstverband telt zijn werk bij [werkgever] het zwaarst, aldus [deskundige 1 (klinisch arbeidsgeneeskundige)] .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/72daafe2dd23a2b156ec93cdd9809475624c78500cc9a9e14262595b868c9ea4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 72daafe2dd23a2b156ec93cdd9809475624c78500cc9a9e14262595b868c9ea4, en de alinea staat in dat document op bytes 87263 tot 88562.