Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2020
Onder 3.88 Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2020, ECLI:NL:PHR:2020:746.
Nu de accountant dus niet kan voorbijgaan aan de maatschappelijke realiteit dat derden geneigd zijn groot belang te hechten aan zijn rapportage, ook als die buiten de uitvoering van wettelijke taken is opgemaakt, én maatregelen kan treffen waarmee kan worden voorkomen dat derden op zijn rapportage vertrouwen, is het oordeel van het hof in rov. 4.13 wat mij betreft onjuist. Het hof heeft in die rechtsoverweging beslissend geacht dat [verweerster 1] met [eisers 6+7] geen rekening hoefde te houden, omdat [eisers 6+7] pas in het laatste kwartaal van 2002 in beeld zijn gekomen. Aldus heeft het hof miskend dat, gelet op het voorgaande, niet beslissend is of [verweerster 1] wist of behoorde te weten welke derde precies (zeer) waarschijnlijk op de rapportages zou vertrouwen bij het nemen van zijn investeringsbeslissing. In de gegeven omstandigheden had [verweerster 1] op het moment dat zij de stukken uit handen gaf rekening moeten houden met de mogelijkheid dat andere geïnteresseerden dan [eiser 2] en [eiser 4] – de aanvankelijke investeerders in [A] met het oog op wier mogelijke investeringsbeslissing [A] [verweerster 1] de hier centraal staande stukken heeft laten opstellen – in deze cijfers zouden vertrouwen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be185d79cf7fea03a69170da914f84eff9ed8bfc90555df50866934fc6a5c955. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be185d79cf7fea03a69170da914f84eff9ed8bfc90555df50866934fc6a5c955, en de alinea staat in dat document op bytes 153438 tot 154680.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/be185d79cf7fea03a69170da914f84eff9ed8bfc90555df50866934fc6a5c955 | shasum -a 256