Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 september 2020

Onder 6.2 Parket bij de Hoge Raad 15 september 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:804.

Daartoe moet de verdachte één of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen, te weten het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels, hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/98a9294d5f44b18f92f3ecafbb9ab230c874de06e462b652f8f28f1ce23fb5df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 98a9294d5f44b18f92f3ecafbb9ab230c874de06e462b652f8f28f1ce23fb5df, en de alinea staat in dat document op bytes 28235 tot 28822.