Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:84.

11. Een vergelijking dringt zich op met de zaken die hebben geleid tot de arresten van HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0492, NJ 2007/314 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773. In beide zaken ging het om 1. het aanwezig hebben respectievelijk het telen van hennepplanten en 2. diefstal van stroom. Wat betreft het arrest van 15 mei 2007 had de verdachte onder meer verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode stroom van Nuon had gestolen. De raadsman van de verdachte voerde in hoger beroep aan dat voor het aanwezig hebben van de hennepplanten voldoende bewijs was, maar geen sprake was van een vorm van betrokkenheid bij het tweede feit; de enkele handtekening van zijn cliënt op de huurovereenkomst gaf niet aan dat hij ook de stroom had gestolen. Ook in die zaak, waarin de verdachte had bekend, had de raadsman het woord vrijspraak niet in de mond genomen. Het hof had naar aanleiding van het verweer overwogen dat en waarom het "anders dan de raadsman" van oordeel was dat de verdachte wel betrokken was geweest bij de onder 2 tenlastegelegde diefstal. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat in die zaak kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, onjuist, omdat hetgeen de raadsman had aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als ontkenning van de tenlastelegging en dat daarom de bewezenverklaring van het medeplegen van de diefstal van stroom ontoereikend was gemotiveerd. In de zaak waarover het arrest van 16 september 2014 ging, was door de raadsman van de verdachte bepleit dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet en daarom een krachtig signaal diende te worden afgegeven door middel van bewijsuitsluiting. Mijn ambtgenoot Vegter noemde het in zijn voorafgaande conclusie opmerkelijk en tegelijkertijd interessant dat de raadsman van verdachte het woord “vrijspraak” niet expliciet had gebezigd, maar meende niettemin dat het betoog de strekking had een bewezenverklaring te voorkomen. De Hoge Raad deelde die mening en vond het oordeel van het hof dat kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, onjuist, nu hetgeen door de raadsman was aangevoerd bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan “als strekkende tot vrijspraak van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten”. De bewezenverklaring van deze feiten was daarom ontoereikend gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/229f9dda835388678992fd98d3bc732e829daac523184d9ce8731fb71a3046f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 229f9dda835388678992fd98d3bc732e829daac523184d9ce8731fb71a3046f3, en de alinea staat in dat document op bytes 11119 tot 13680.