Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020
Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:84.
19. Deze overweging is mijns inziens mutatis mutandis evenzeer van toepassing op het onderhavige geval. Ook hier is sprake van een stellige en ondubbelzinnige bekentenis van de verdachte en van met nauwkeurigheid aangeduide processen-verbaal en een NFI-rapport, waarvan de inhoud de verdachte ter ’s hofs terechtzitting kort is voorgehouden. De toelichting op het middel vermeldt weliswaar dat de verdachte “belang heeft bij vernietiging van het arrest, nu in dat geval alsnog aan de hand van de in art. 359a tweede lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde criteria gemotiveerd kan worden aangegeven waarom het gestelde vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering”, maar miskent daarmee tegelijkertijd dat door het hof al is gereageerd op het verweer van de raadsman in hoger beroep en het in dat verband heeft vastgesteld dat het verweer niet aan de eisen van art. 359a, tweede lid, Sv voldoet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/229f9dda835388678992fd98d3bc732e829daac523184d9ce8731fb71a3046f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 229f9dda835388678992fd98d3bc732e829daac523184d9ce8731fb71a3046f3, en de alinea staat in dat document op bytes 20463 tot 21407.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/229f9dda835388678992fd98d3bc732e829daac523184d9ce8731fb71a3046f3 | shasum -a 256