Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020

Alinea 76 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:84.

28. Dat oordeel acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik heb daarbij het volgende in aanmerking genomen. Het pleidooi houdt in dit verband slechts enkele mededelingen in: de verdediging heeft het strafproces niet opzettelijk vertraagd, door de vertraging zou cliënt drie jaar lang in onzekerheid hebben geleefd en daarmee zou dan rekening moeten worden gehouden in de strafoplegging. In deze bewoordingen ligt ten eerste besloten dat naar het oordeel van de raadsman de vertraging (weliswaar) is veroorzaakt door de verdediging, maar dat zulks niet opzettelijk is gebeurd. Daarin klinkt enkel een zekere disculpatie door. Ten tweede wordt slechts gerept van vertraging. Een vertraging in het procesverloop wil nog niet zeggen dat zij onredelijk is, en nog minder dat dan ook al sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De toelichting op het middel plaatst de woorden van de raadsman nu wel in het kader van zo een overschrijding van de redelijke termijn, maar nergens blijkt uit dat de raadsman daarop in zijn pleidooi het oog heeft gehad. Door hem is in ieder geval in het geheel niet aangevoerd dat door de opgelopen vertraging de redelijke termijn zou zijn overschreden. Onduidelijk is trouwens ook wat de raadsman bedoelde met “het strafproces” is vertraagd: het strafproces vanaf het begin tot aan de zitting in hoger beroep, of alleen het strafproces in hoger beroep? Ten derde wordt een beroep gedaan op het hof om met die gestelde vertraging rekening te houden omdat de verdachte daardoor te lang in onzekerheid zou hebben verkeerd. Als dat zo is, had de verdachte er misschien voor moeten kiezen af te zien van zijn verzoek om via de weg van een rechtshulpverzoek de opgegeven getuige in Polen te (doen) horen, dan wel dat verzoek op enig moment in te trekken. Voorts heb ik in randnummer 25 er al op gewezen dat de feitenrechter niet ertoe gehouden is te reageren op een verzoek om in het kader van de straftoemeting rekening te houden met het tijdsverloop.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/229f9dda835388678992fd98d3bc732e829daac523184d9ce8731fb71a3046f3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 229f9dda835388678992fd98d3bc732e829daac523184d9ce8731fb71a3046f3, en de alinea staat in dat document op bytes 31178 tot 33417.