Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Onder 2.18 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884.

Eerder had ook Loesberg betoogd art. 3:21 lid 2 BW niet naar analogie kan worden toegepast op de registratie van onderhandse pandakten, omdat dit de deur zou openzetten voor antedatering van pandakten. Volgens hem moet, indien meerdere pandakten tegelijkertijd ter registratie worden aangeboden, op grond van art. 3:166 BW worden geconcludeerd tot een gemeenschappelijk pandrecht van degenen die bij de verschillende tegelijkertijd ter registratie aangeboden onderhandse pandakten als potentiële pandhouder betrokken zijn. Hij wijst erop dat, indien met betrekking tot dezelfde onroerende zaak op hetzelfde moment twee transportakten zijn gepasseerd die op hetzelfde moment zijn aangeboden, er ook niet twee afzonderlijke eigendomsrechten ontstaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45, en de alinea staat in dat document op bytes 56386 tot 57247.