Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Onder 2.19 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884.

Daarnaast stellen ook Faber en Vermunt dat, indien twee pandakten met betrekking tot dezelfde goederen op hetzelfde moment ter registratie worden aangeboden, art. 3:21 lid 2 BW zich niet leent voor analoge toepassing. Zij wijzen erop dat een hypotheekakte notarieel wordt verleden, terwijl een onderhandse pandakte niet de tussenkomst van een notaris of andere onafhankelijke ambtenaar vergt. De waarborg tegen antedatering en andere wijzigingen of aanvullingen van een onderhandse pandakte is gelegen in het vereiste van registratie van die akte. Met die waarborg is moeilijk verenigbaar dat het moment waarop de akte is opgemaakt (waarbij geen waarborg tegen antedatering bestaat), een rol zou kunnen vervullen bij het bepalen van de rangorde van het te vestigen pandrecht. Daarbij komt nog dat de wet – anders dan bij een hypotheekakte – het vermelden van een dag of tijdstip waarop de pandakte is opgemaakt, niet als vereiste stelt, en dat in de praktijk in ieder geval het tijdstip van het opmaken van een pandakte nimmer in de akte wordt vermeld. Bij het bepalen van de onderlinge rangorde van pandrechten die bij geregistreerde onderhandse akte zijn gevestigd, moet dan ook enkel worden aangeknoopt bij de dag waarop de betreffende pandakten bij de belastingdienst ter registratie zijn aangeboden, aldus Faber en Vermunt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45, en de alinea staat in dat document op bytes 58744 tot 60188.