Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Onder 2.31 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884.

Volgens Faber en Vermunt lijdt het geen twijfel dat een rangwisseling bij pand kan worden bereikt op een wijze vergelijkbaar met hetgeen voor hypotheek in art. 3:262 BW is bepaald. Dit past geheel in het stelsel van de wet en sluit aan bij de wel in de wet geregelde gevallen (art. 3:262 en 3:242 BW). Uit het feit dat in de wet alleen voor hypotheek een regeling is opgenomen, mag niet worden afgeleid dat de wetgever rangwisseling bij pand niet mogelijk acht. Art. 3:262 BW is in de wet opgenomen omdat in de praktijk onder het oude recht behoefte bestond aan een rangwijziging van hypotheken en een uitdrukkelijke wettelijke regeling ontbrak. Als de wetgever zich bij de invoering van het nieuwe BW had gerealiseerd dat eenzelfde behoefte waarschijnlijk zou ontstaan als gevolg van het daarbij geïntroduceerde stille pandrecht, zou ongetwijfeld een vergelijkbare regeling voor pand in de wet zijn opgenomen, aldus Faber en Vermunt. Voor rangwisseling bij pand geldt, net als art. 3:262 lid 1 BW bepaalt voor hypotheek, dat de rangwijziging alleen tegen een derde met een ten tijde van de wijziging bestaand beperkt recht kan worden ingeroepen, indien de derde met die wijziging heeft ingestemd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45, en de alinea staat in dat document op bytes 68536 tot 69875.