Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Onder 2.70 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884.

Onderdeel III klaagt dat het hof in rov. 5.3 en 5.9(ii) ten onrechte heeft geoordeeld dat het surplus aan (één van) de pandhouders dient toe te komen, omdat het een executieopbrengst betreft. Het hof heeft daarmee miskend dat het bedrag van een geïnde, verpande vordering slechts kan worden aangemerkt als executieopbrengst als de bevoegdheid om deze vordering te innen is ontleend aan een openbaar gemaakt pandrecht. Het surplus kan geen executieopbrengst vormen, omdat de bank als eerste pandhouder niet bevoegd was (op basis van haar eigen pandrecht of dat van Holding) om over te gaan tot executie ten aanzien van de geïnde bedragen die samen het surplus vormen. Het surplus diende dan ook door de eerste pandhouder te worden afgedragen aan pandgever Recycling, aldus het onderdeel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45, en de alinea staat in dat document op bytes 113814 tot 114703.