Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Onder 2.84 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884.

Het pandrecht kan dienen ter securering van zowel tijdens de vestiging reeds bestaande vorderingen als op dat moment nog toekomstige vorderingen, mits deze voldoende bepaalbaar zijn (art. 3:231 BW). Het zekerheidsrecht ter securering van een toekomstige vordering neemt en behoudt rang naar de datum van vestiging, ook al zou op dat moment geen vordering bestaan of zou op enig later moment tijdelijk geen vordering bestaan. Ook vorderingen die pas ontstaan op of na de dag van faillietverklaring van de pandgever kunnen – zij het binnen bepaalde grenzen – op het onderpand worden verhaald. Tijdens de faillietverklaring reeds voorwaardelijk bestaande vorderingen van de pandhouder kunnen tijdens faillissement van de pandgever zonder meer worden verhaald.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45, en de alinea staat in dat document op bytes 124895 tot 125860.