Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Onder 2.87 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884.

Op het onderstreepte gedeelte van deze overweging is kritisch gereageerd in de literatuur. Faber en Vermunt merken in hun JOR-noot onder het arrest (par. 3) op dat deze overweging eenvoudig tot misverstanden kan leiden. Zij benadrukken dat de inningsbevoegdheid van een openbaar pandhouder op de voet van art. 3:246 lid 1 BW niet is beperkt tot het bedrag van de gesecureerde vordering. De pandhouder is bevoegd de verpande vorderingen te innen tot hun volledige bedrag, met dien verstande dat een eventueel overschot na voldoening van de gesecureerde vordering dient te worden afgedragen aan de daarvoor in aanmerking komende partij(en) (vgl. art. 3:253 BW jo. art. 490b Rv), aldus de annotatoren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45, en de alinea staat in dat document op bytes 127892 tot 128604.