Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020
Onder 2.99 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884.
2.101 Met onderdeel IV wordt betoogd dat de bank, nadat zij zich op 17 februari 2014 uit het geïnde had voldaan , de nadien binnenkomende bedragen (het surplus) niet is gaan innen ten gunste van pandhouder Holding , maar ten gunste van (de boedel van) pandgever Recycling. Daardoor zou geen sprake zijn van een executieopbrengst en zouden de bepalingen over executie (lees: art. 3:253 BW jo. art. 490b Rv) niet van toepassing zijn. Zoals ik hiervoor (onder 2.6) reeds opmerkte, was het bezwaar van de curator in appel met name gericht tegen verdeling van het geïnde met toepassing van art. 3:253 BW buiten de boedel om.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45, en de alinea staat in dat document op bytes 140523 tot 141327.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45 | shasum -a 256