Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Onder 1.13 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:884.

“5.3 Het hof stelt voorop dat een inning na openbaarmaking van een stil pandrecht op de voet van artikel 3:246 BW moet worden onderscheiden van de parate executie van een pandrecht in de zin van artikel 3:248 BW. De executie van een pandrecht op vorderingen vindt in beginsel plaats door de openbare verkoop van die vorderingen. De pandhouder met een geldige pandakte kan zonder rechterlijke tussenkomst daartoe overgaan op grond van het hem toekomende recht van parate executie. Het na een openbaarmaking innen van verpande vorderingen is echter geen vorm van parate executie, maar het verlangen van de nakoming van de vordering en het in ontvangst nemen van betaling. Op de opbrengst blijven in beginsel alle bestaande pandrechten rusten, zo volgt uit artikel 3:246 lid 5 BW. De executie kan vervolgens wél plaatsvinden op de voet van artikel 3:255 BW omdat er dan immers sprake zal zijn van een pandrecht dat rust op geld. Dit gaat dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:253 BW, waarbij als uitgangspunt geldt dat oudere, dus hogere, pandrechten in beginsel - een enkele uitzondering daargelaten - gerespecteerd zullen moeten worden (dit uitgangspunt komt ook tot uitdrukking in artikel 3:248 lid 3 BW). Indien er ook andere gerechtigden zijn en partijen komen er onderling niet uit, kan de rechtbank worden verzocht een rangregeling vast te stellen, waarbij uiteindelijk de pandhouder die te veel van de opbrengst heeft afgehouden, op de voet van artikel 490b lid 4 Rv kort gezegd kan worden verplicht dit terug te betalen. Het komt er dus op neer dat indien er is geïnd door een pandhouder met een lagere rang, deze de opbrengst dan ook zal moeten afstaan aan de pandhouder met een hogere rang indien die opbrengst niet toereikend is om beide pandhouders geheel te voldoen. Daarbij heeft bovendien te gelden dat pas nadat de pandhouder met de hogere rang volledig is voldaan, de daaropvolgende rangoudste aan bod komt. Anders dan de curator meent, maakt de openbaarmaking van een stil pandrecht hierin geen verschil; iedere pandhouder is daartoe gerechtigd, maar de pandhouder die openbaar maakt krijgt daardoor geen sterker recht. Het gegeven dat partijen het erover eens zijn dat de bank een eerste pandrecht had en zich dus als eerste op het geïnde mocht verhalen, is evenmin relevant. Het betekent slechts dat het surplus voor de pandhouders met een lagere rang is. Vastgesteld zal moeten worden of er tussen hen een verschil in rang bestaat. Daarop ziet grief XI. De grieven Ia en Ib en III tot en met X falen op grond van het voorgaande.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5bcd6ca97479f4e66cb96a43962d37ccb494e6a8ba3a73f9544d0fa5aea7da45, en de alinea staat in dat document op bytes 28031 tot 30603.