Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020
Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:890.
Rechtsvorderingen op een bedrijfstakpensioenfonds tot het doen van een uitkering kunnen met ingang van 1 januari 2007 bij leven van de pensioengerechtigde niet meer verjaren (art. 59 Pensioenwet ). De premievordering van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever is daarentegen wel aan verjaring onderhevig. De termijn daarvoor bedraagt vijf jaren na de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden (art. 3:307/3:308 BW). Dit heeft tot gevolg dat het bedrijfstakpensioenfonds een aanzienlijk financieel risico loopt. Dat kan gevolgen hebben voor de dekkingsgraad van het pensioenfonds. Dit vormt een belangrijke prikkel voor bedrijfstakpensioenfondsen om werkgevers die onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen op te sporen en achterstallige premie te incasseren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7cefe136194de283b745ea9352e2ed6c3b658f225131319e41fc189f6fb341e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7cefe136194de283b745ea9352e2ed6c3b658f225131319e41fc189f6fb341e8, en de alinea staat in dat document op bytes 45592 tot 46577.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7cefe136194de283b745ea9352e2ed6c3b658f225131319e41fc189f6fb341e8 | shasum -a 256