Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020
Alinea 97 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:91.
21. In het licht van de hiervoor onder randnummers 15 en 16 genoemde feiten en omstandigheden is niet direct duidelijk hoe het hof tot het oordeel zou kunnen zijn gekomen dat in beide feitelijke instanties voor de berechting een redelijke termijn van twee jaren gold. Indien het hof de vraag of de verdachte in voorlopige hechtenis verkeerde, heeft beoordeeld naar de stand van zaken op enig concreet tijdstip of in enig stadium van de procedure, dan ontgaat mij welk tijdstip of stadium het tot dat ijkpunt heeft genomen. Bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 18 december 2014 verkeerde de verdachte in voorlopige hechtenis, zodat de situatie bij aanvang van het zittingsonderzoek de overwegingen van het hof niet kan verklaren. Gedurende de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg was de verdachte niet voorlopig gehecht, maar tijdens de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep was hij dat wel. Iets soortgelijks geldt voor het moment van de einduitspraak: in eerste aanleg werd de schorsing van de voorlopige hechtenis bij vonnis opgeheven, maar was de voorlopige hechtenis dus tot dat vonnis nog geschorst, terwijl de verdachte op de datum van het bestreden arrest wel in detentie verbleef. Wellicht heeft het hof een andere benadering gekozen en bijvoorbeeld gekeken naar de per instantie in totaal in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in verhouding tot de totale duur van de procedure in die instantie. Nu een toelichting op die benadering ontbreekt, laat die benadering zich maar moeilijk op zijn juistheid en begrijpelijkheid toetsen. Ook omdat het zelfs zo zou kunnen zijn dat in het kader van de beoordeling van de redelijke termijn het hof het gewoonweg was ontschoten of ontgaan dat de verdachte in verband met de onderhavige zaak in eerste aanleg en/of in hoger beroep hoe dan ook gedurende enige tijd in voorlopige hechtenis heeft verkeerd. Voor zover het hof zou hebben bedoeld te oordelen dat de verdachte in beide feitelijke instanties niet in voorlopige hechtenis verkeerde, komt mij dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk voor.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/163f16f71eaa5f35cd11013bef5a3fa183a76458006786f7b44d2c72103e76fb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 163f16f71eaa5f35cd11013bef5a3fa183a76458006786f7b44d2c72103e76fb, en de alinea staat in dat document op bytes 38001 tot 40207.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/163f16f71eaa5f35cd11013bef5a3fa183a76458006786f7b44d2c72103e76fb | shasum -a 256