Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020

Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:934.

In randnummers 2.1.2 en 2.1.4 betogen [eiseressen] dat het hof in rov. 3.5.-3.7. een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Het hof had bij de toetsing van de rechtmatigheid van de opzeggingen door ING alle feiten en omstandigheden van het geval moeten betrekken en derhalve ook de feiten en omstandigheden die zich ná de opzeggingen hebben voorgedaan. Kortom: het hof had ex nunc en niet ex tunc moeten toetsen. [eiseressen] zoeken in dit kader aansluiting bij een drietal uitspraken van Uw Raad op het gebied van respectievelijk ontslag en ontbinding in het arbeidsrecht en inbreukmakend of anderszins onrechtmatig handelen. Volgens [eiseressen] heeft de ex tunc -toetsing tot gevolg dat elke opzeggende partij haar ogen voor waarheidsvinding en gerechtvaardigde belangen van de wederpartij mag sluiten, om te voorkomen dat een aanname, waarop de opzegging is gebaseerd, na nader onderzoek onjuist blijkt te zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fbda033d45e726daa4d577411074d73e775db475bd4a581904d54a4bd179043d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fbda033d45e726daa4d577411074d73e775db475bd4a581904d54a4bd179043d, en de alinea staat in dat document op bytes 76105 tot 77255.