Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020

Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:934.

De klachten bouwen voort op de klachten in de randnummers 2.1.2 en 2.1.4 en falen om de in dat verband al genoemde redenen. De omstandigheden die [eiseressen] noemen, doen er immers niet aan af dat in zaken als de onderhavige een toetsing ex tunc is aangewezen, gelet op de aard van het geschil, de ingestelde vordering en het belang van de rechtszekerheid (randnummers 2.8 e.v. hiervoor). Daarbij komt dat de omstandigheden die [eiseressen] noemen, omstandigheden betreffen die dateren van vóór de opzeggingen door ING, waardoor ze ook in een ex tunc -beoordeling worden meegenomen en – onder meer blijkens rov. 3.1.(ii), rov. 3.3. en rov. 3.6. van het bestreden arrest – ook door het hof in zijn beoordeling zijn meegenomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fbda033d45e726daa4d577411074d73e775db475bd4a581904d54a4bd179043d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fbda033d45e726daa4d577411074d73e775db475bd4a581904d54a4bd179043d, en de alinea staat in dat document op bytes 86478 tot 87330.