Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020

Onder 2.20 Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:934.

In aanvulling op de klachten in de procesinleiding, betogen [eiseressen] in randnummer 2.13 van hun schriftelijke toelichting dat het hof ambtshalve art. 6:248 lid 1 BW had moeten toepassen, omdat uit de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de opzeggingen ex nunc moeten worden beoordeeld. Deze klacht komt te laat, want er kan geen acht worden geslagen op cassatieklachten die na de procesinleiding zijn aangevoerd. Overigens geldt dat de klacht hoe dan ook niet zou zijn opgegaan. Art. 6:248 lid 1 BW kan er immers niet toe leiden dat een regel van civiel procesrecht – inhoudende dat onder bepaalde omstandigheden ex tunc moet worden getoetst – buiten toepassing wordt gelaten. Bovendien staat in cassatie (terecht) als onbestreden vast dat de ABV en de VZR een contractuele regeling voor opzegging bevatten (randnummers 1.4 en 1.5 hiervoor), waardoor aan de hand van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW – en niet de aanvullende van lid 1 – moet worden beoordeeld of de opzeggingen door ING rechtsgeldig zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fbda033d45e726daa4d577411074d73e775db475bd4a581904d54a4bd179043d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fbda033d45e726daa4d577411074d73e775db475bd4a581904d54a4bd179043d, en de alinea staat in dat document op bytes 91167 tot 92384.