Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2020

Onder 3.6 Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:954.

Dezelfde vrijheid als ten aanzien van de keuze van de bewijsmiddelen geniet de rechter met betrekking tot de waarde, die hij eraan wil toekennen. En even vrij waardeert hij de uit de bewijsmiddelen voortvloeiende bewijsgronden, in het bijzonder vermoedens en hun bewijswaarde. Wel zal duidelijk moeten zijn uit welke bron de rechter zijn vermoedens put. Wanneer hij het verantwoord acht, mag de rechter ook aan de verklaring van een partij te haren gunste bewijs ontlenen. Aan de andere kant staat het de rechter evenzeer vrij de processuele houding van een partij die bijvoorbeeld inlichtingen die zij zou kunnen verstrekken, achterhoudt, of die nalatig blijft een bepaald stuk te produceren tot bewijs tegen haar te doen strekken. Een toepassing van deze gedachte vindt men in art. 8:31 Awb. Om het vorenvermelde kort samen te vatten zegt men vaak dat in het fiscale procesrecht een vrije bewijsleer geldt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9df375ef83d4bfb93aaac7a353bcdbd610f7dd100cd2a6aec5447eae2683b3b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9df375ef83d4bfb93aaac7a353bcdbd610f7dd100cd2a6aec5447eae2683b3b8, en de alinea staat in dat document op bytes 22496 tot 23417.