Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 oktober 2020

Onder 4.3 Parket bij de Hoge Raad 16 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:963.

Bij de beoordeling van de klacht is het volgende voorop te stellen. De arbeidsovereenkomst tussen Werkneemster en NN is met wederzijds goedvinden beëindigd. Als Werkneemster niet had ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, had NN de arbeidsovereenkomst moeten beëindigen op de a-grond van art. 7:669 lid 3 BW (bedrijfseconomische omstandigheden). Daarvoor zou NN toestemming van het UWV nodig hebben gehad. Als het UWV die toestemming zou hebben verleend en NN de arbeidsovereenkomst had opgezegd, had Werkneemster de kantonrechter kunnen verzoeken NN te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, of, als dat niet mogelijk is vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van NN, aan haar een billijke vergoeding toe te kennen. Als het UWV de toestemming niet zou hebben verleend, had NN op grond van art. 7:671b lid 1 sub b BW een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter kunnen indienen. Zowel in het eerste geval (procedure bij het UWV) als in het tweede geval (ontbindingsprocedure bij de kantonrechter) had de stelplicht en bewijslast dat voldaan is aan de a-grond, op NN gerust.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/710ef735cb9899defcbc5a312d7e53b1c5560a0fd06324b9d6a30b947fc6d44b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 710ef735cb9899defcbc5a312d7e53b1c5560a0fd06324b9d6a30b947fc6d44b, en de alinea staat in dat document op bytes 35249 tot 36375.