Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 oktober 2020

Onder 4.9 Parket bij de Hoge Raad 16 oktober 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:963.

De klacht kan niet slagen. Op zichzelf is het juist, zoals in de toelichting op het onderdeel wordt aangevoerd, dat in een ontslagprocedure de bewijslast voor een voldragen ontslaggrond ontegenzeggelijk bij de werkgever ligt (zie onder 4.3). Dat betekent echter niet dat in de onderhavige procedure zou moeten worden afgeweken van de hoofdregel uit art. 150 Rv. De onderhavige procedure is immers geen ontslagprocedure en is daarmee ook niet gelijk te stellen, nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarmee is ook de ratio voor de bewijslastverdeling in een ontslagprocedure – bescherming van de werknemer – niet aan de orde. Niet is in te zien dat het systeem van de Wwz een bijzondere regel van bewijslastverdeling met zich brengt, die inhoudt dat wanneer de werknemer (aanvullende) schadevergoeding vordert na het sluiten van een beëindigingsovereenkomst, de bewijslast voor de stellingen die aan die vordering ten grondslag zijn gelegd, bij de werkgever zouden liggen. Dit vloeit ook niet voort uit de redelijkheid en billijkheid

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/710ef735cb9899defcbc5a312d7e53b1c5560a0fd06324b9d6a30b947fc6d44b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 710ef735cb9899defcbc5a312d7e53b1c5560a0fd06324b9d6a30b947fc6d44b, en de alinea staat in dat document op bytes 40360 tot 41465.