Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020

Onder 3.43 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:97.

Overigens past dit ook bij de algemene regels rondom hoofdelijke verbondenheid in art. 6:6 e.v. BW. Hoofdelijke verbintenissen zijn namelijk zelfstandige vorderingsrechten, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Die zelfstandigheid leidt er onder meer toe dat verjaring van het vorderingsrecht jegens de ene hoofdelijke schuldenaar niet de verjaring van het vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaar meebrengt. De wet schrijft slechts bij hoge uitzondering (bijvoorbeeld in art. 10 lid 4 WAM) voor dat stuiting van de verjaring aan het ene front (vorderingsrecht van de benadeelde tegen de automobilist) ook stuiting aan het andere front (vordering tegen de WAM-verzekeraar) meebrengt (en omgekeerd).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f, en de alinea staat in dat document op bytes 95492 tot 96354.