Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020

Onder 3.55 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:97.

In de hier bestreden rov. 5.3.3. van het eindarrest heeft het hof dus onder verwijzing naar het voornoemde arrest van Uw Raad van 8 januari 2010, kort gezegd, geoordeeld dat de lotgevallen van het vorderingsrecht van de schuldeiser tegen de ene hoofdelijke schuldenaar die van het vorderingsrecht jegens de ander niet beïnvloeden, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Van dat laatste is hier volgens het hof geen sprake. Het hof heeft daaruit geconcludeerd dat stuiting van de verjaring slechts werkt tegenover de schuldenaar tegen wie geldig is gestuit, in dit geval dus de vof en niet [verweerder] . Daarin ligt wat mij betreft een verwerping besloten van de stelling van [eiser] dat sprake is van een onzelfstandige vordering. Daarom falen beide klachten wegens gemis aan feitelijke grondslag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f, en de alinea staat in dat document op bytes 108875 tot 109758.