Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020
Onder 3.72 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:97.
Subonderdeel 2.3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov 5.4.2. van het eindarrest dat de aangevoerde omstandigheden onverlet laten dat [verweerder] pas geruime tijd na voltooiing van de verjaringstermijn, in 2013, kennis heeft kunnen nemen van een vordering van [eiser] op hem in persoon. [eiser] stelt dat het hof hiermee heeft miskend dat ook al zou de stuiting jegens de vof niet automatisch de stuiting van het vorderingsrecht jegens de vennoot in privé kunnen betekenen (zoals [eiser] heeft betoogd in onderdeel 1), een vennoot die de betreffende stuitingsbrief van 1 september 2005 heeft ontvangen vanaf dat moment weet (althans geacht wordt te weten) dat (op de voet van art. 18 WvK) een vorderingsrecht bestaat dat op zijn privévermogen verhaald kan worden. Deze klacht faalt om de navolgende reden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f, en de alinea staat in dat document op bytes 122833 tot 123712.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f | shasum -a 256