Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020
Onder 2.13 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:97.
“5.3.2. Op grond van artikel 3:317 lid 1 BW kan de verjaring van een rechtsvordering worden gestuit door een schriftelijke mededeling aan de schuldenaar waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar, in dit geval [verweerder] , inhouden en zodanig geformuleerd zijn dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over gegevens en bewijsmateriaal, zodat hij zich tegen een door de schuldeiser mogelijk in te stellen vordering behoorlijk kan verweren (vgl. onder meer HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418). Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of [verweerder] uit de brief van 1 september 2005 heeft kunnen afleiden dat [eiser] zich tegenover hem persoonlijk het recht op schadevergoeding voorbehoudt. Hierbij dient niet alleen te worden gelet op de formulering van de brief, maar ook op de context waarin de mededeling is gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8509 en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112). Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voornoemde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het hof neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat de brief van 1 september 2005 is gericht aan ‘ [A] t.a.v. de directie’. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, is de aanduiding ‘t.a.v. de directie’ niet meer dan een aanwijzing voor de secretaresse of de postkamer waar of bij wie de brief terecht moet komen. De brief is gericht aan de vof en niet aan (een van) de vennoten en dus niet aan [verweerder] persoonlijk. Het hof neemt deze overweging over en maakt die tot de zijne. Weliswaar heeft [verweerder] feitelijk de brief ontvangen en gelezen, maar uit de inhoud van de brief volgt niet dat [verweerder] (naast de vof) persoonlijk door [eiser] aansprakelijk werd gesteld voor de schade. Over afzonderlijke aansprakelijkheid van [eiser] wordt in de brief met geen woord gerept. [verweerder] hoefde dus op basis van de brief geen rekening te houden met een vordering van [eiser] tot schadevergoeding op hem persoonlijk. Dat [verweerder] er wellicht van op de hoogte was dat hij naast de vof in persoon aansprakelijk kon worden gesteld, maakt dat niet anders. [eiser] noemt overigens geen omstandigheden die kunnen leiden tot een ander oordeel.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f, en de alinea staat in dat document op bytes 25173 tot 27623.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3ddba9fce8a7447121de0effe8fa26740b01e0ae3c626de7cf0787f63e29443f | shasum -a 256