Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 december 2021
Alinea 462 Parket bij de Hoge Raad 14 december 2021
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1179.
107. Als maatstaf voor de inbreuk die toegang tot verkeers- en locatiegegevens op de persoonlijke levenssfeer maakt, komt de eerste benadering mij beter voor. De informatie die in die gegevens zelf besloten ligt, bepaalt de ernst van de inbreuk die op de persoonlijke levenssfeer is gemaakt. Als die ernst bepaald wordt door de precisie van de conclusies die uit die gegevens in samenhang met andere kunnen worden getrokken, wordt het lastig om nog grenzen te trekken. Ik wijs in dat verband op de identiteitsgegevens. Juist die gegevens kunnen het mogelijk maken in het kader van de opsporing mede op basis van andere informatie heel precieze conclusies te trekken die grote gevolgen hebben voor de betrokkene. Ik merk ook nog op dat de tweede benadering zich meer in het algemeen moeizaam verhoudt tot de normering van de opsporing. Een belangrijk aspect, zo niet de kern, van opsporing is het combineren van gegevens teneinde tot precieze conclusies te komen over personen. Het zou toch vreemd zijn als het Handvest ertoe zou dwingen gegevensvergaring strenger te normeren naarmate zij beter aan dat doel bijdraagt?
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/89ea83ea87d73d24f8b77bca62132ca8a92ba7430cf883652332e7ab28ef1393. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 89ea83ea87d73d24f8b77bca62132ca8a92ba7430cf883652332e7ab28ef1393, en de alinea staat in dat document op bytes 279603 tot 280734.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/89ea83ea87d73d24f8b77bca62132ca8a92ba7430cf883652332e7ab28ef1393 | shasum -a 256