Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 december 2021

Onder 8.15 Parket bij de Hoge Raad 24 december 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1228.

In de tijd dat het Rolrichtlijnenarrest werd gewezen (1996) was de organisatie van de rechterlijke macht echter wezenlijk anders geregeld dan nu het geval is. In die tijd bestond bij elk gerecht een collegevergadering (rechtersvergadering), waarin alle bij het desbetreffende gerecht werkzame rechters zitting hadden. De wet kende verschillende bevoegdheden toe aan deze collegevergadering. Daarnaast beschikte de president van een gerecht over enkele bevoegdheden. Voor wat betreft de bedrijfsvoering was formeel de Minister van Justitie bevoegd (per 1 januari 1998 waren deze bevoegdheden gemandateerd aan de directeuren bedrijfsvoering). In de tijd dat het Rolrichtlijnenarrest is gewezen, was een besluit van ‘de rechtbank’ formeel beschouwd dus een besluit van de rechtersvergadering, dus van alle rechters gezamenlijk (tenzij het ging om een besluit van de president van het gerecht). Daarmee lag het in de rede dat onder de Wet RO zoals deze gold tot 1 januari 2002, deze rechtersvergadering bevoegd was om rechters bindende regels op te stellen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49f372ea2080cf37e499b7dc8139e69a14a78c4c20ca9708c6129b60ddbf318e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49f372ea2080cf37e499b7dc8139e69a14a78c4c20ca9708c6129b60ddbf318e, en de alinea staat in dat document op bytes 239832 tot 241100.