Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2021
Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2021
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:13.
6. In art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, derde lid aanhef en onder g, IVBPR is als facet van een fair trial het zogenoemde nemo tenetur-beginsel impliciet c.q. expliciet vastgelegd: niemand kan worden gedwongen mee te werken aan het verkrijgen van voor hem mogelijk belastend bewijsmateriaal en aldus aan zijn of haar eigen veroordeling. De Nederlandse strafrechtspleging kent dit beginsel als zodanig niet. Wel ligt dit beginsel ten grondslag aan het pressieverbod zoals omschreven in art. 29, eerste lid, Sv. De verdachte die wordt gehoord, is niet tot antwoorden verplicht. In dat opzicht geldt in absolute zin dat aan zelfincriminatie niet behoeft te worden meegewerkt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/96bbbed46a3a225f6938969f3c850077b9a1d3491584eb77784c9be0d41722e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 96bbbed46a3a225f6938969f3c850077b9a1d3491584eb77784c9be0d41722e2, en de alinea staat in dat document op bytes 15918 tot 16799.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/96bbbed46a3a225f6938969f3c850077b9a1d3491584eb77784c9be0d41722e2 | shasum -a 256