Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2021

Alinea 66 Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:13.

Het hof heeft – niet onbegrijpelijk – vastgesteld dat de verdachte het zoutzuur voorhanden had met het oog op de levering ervan in de Europese Unie en hij op dat moment marktdeelnemer in de zin van de Verordening was. Voorts heeft het hof geoordeeld (i) dat, gelet op de feitelijke constellatie in deze zaak, de meldingsplicht moet worden gesitueerd in een fase die zich kenmerkt door een intracommunautair-geharmoniseerd toezicht en aan een strafrechtelijk onderzoek voorafgaat, (ii) dat (dus) op dat moment geen sprake was van een verdenking van enig strafbaar feit in de zin van art. 29 Sv, noch van een criminal charge in de zin van art. 6 EVRM, en (iii) dat de belangen, die de Verordening beoogt te beschermen, het uitoefenen van het intracommunautaire toezicht en de wijze waarop het wordt uitgeoefend alsmede het gebruik van aldus verkregen gegevens bij de vaststelling van een inbreuk daarop, rechtvaardigen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/96bbbed46a3a225f6938969f3c850077b9a1d3491584eb77784c9be0d41722e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 96bbbed46a3a225f6938969f3c850077b9a1d3491584eb77784c9be0d41722e2, en de alinea staat in dat document op bytes 28057 tot 29028.