Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2021
Alinea 105 Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2021
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:231.
43. In de tweede plaats aanvaardt het EHRM dat afwijzing van het getuigenverzoek kan plaatsvinden indien ‘the testimony of the witness is manifestly irrelevant or redundant’. Deze grond biedt – enige – ruimte voor een beoordeling van het belang van het horen van een belastende getuige. Hoewel het belang van de verdediging bij het horen van een getuige à charge in de benadering van het EHRM in de regel wordt verondersteld, kan dat belang in voorkomende gevallen niettemin ontbreken. Uit paragraaf 57 van de uitspraak in de zaak Keskin kan eveneens worden afgeleid dat ‘the relevance of the testimony of witnesses’ mag worden meegewogen. Het ontbreken van een beoordeling van dit aspect door het gerechtshof wordt door het EHRM klaarblijkelijk als een tekortkoming gezien. Voorstelbaar is dat in dit verband ook de mate van betwisting van de lezing van een getuige door de verdachte mag worden meegewogen. Zo lijkt mij het belang van een bekennende verdachte om de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige die in essentie eenzelfde lezing van de feiten heeft gegeven te toetsen bepaald niet vanzelfsprekend. Maar minder uitgesproken voorbeelden waarbij dit belang twijfelachtig is, zijn ook denkbaar. Te denken valt aan een verklaring van de aangever dat in zijn woning een inbraak heeft plaatsgevonden zonder dat hij de inbreker heeft waargenomen, terwijl de verdachte niet betwist dat is ingebroken, maar wel dat hij daarbij betrokkenheid heeft gehad. Denkbaar is ook dat de aangever uitsluitend heeft verklaard dat hij vier personen heeft zien wegrennen, terwijl de verdachte niet ontkent dat hij een van die personen is geweest, maar wel aanvoert dat hij slechts medeplichtig aan de inbraak is geweest. Mede in het licht van de mogelijkheid die het EHRM ziet voor afwijzing van een verzoek indien het horen ‘manifestly irrelevant or redundant’ zou zijn, lijkt de rechter hier enige ruimte te hebben. In dit verband kan de vergelijking worden getrokken met de nationale rechtspraak ten aanzien van het verdedigingsbelang in de zin van art. 264, eerste lid, onder c, en 288, eerste lid, onder c, Sv. De ruimte voor afwijzing van een verzoek tot het horen van een getuige à charge op deze grond is ook ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad aanwezig, zij het dat deze ruimte beperkt is en de rechter daarvan terughoudend gebruik zal moeten maken. De zaak Keskin illustreert dat het in dit verband uiterst kwetsbaar is in de afweging te betrekken dat de verdachte een beroep op zijn zwijgrecht doet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ebfbb727a89f661ecf198ce0b2b58af8e267db2d1f59c0c197c677a9dadf709. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ebfbb727a89f661ecf198ce0b2b58af8e267db2d1f59c0c197c677a9dadf709, en de alinea staat in dat document op bytes 82242 tot 84786.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ebfbb727a89f661ecf198ce0b2b58af8e267db2d1f59c0c197c677a9dadf709 | shasum -a 256