Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 april 2021

Onder 1.21 Parket bij de Hoge Raad 8 april 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:352.

Voor het oordeel dat als die werkzaamheden in de sectoren 10 resp. 11 vielen, in casu possessions zijn ontnomen, baseer ik mij op rechtspraak van het EHRM. In onder meer Gratzinger en Gratzingerova v. Tsjechië onderscheidt het EHRM twee soorten bezittingen waarop art. 1 Protocol I ziet: existing possessions en claims ter zake waarvan de claimant een legitimate expectation heeft dat die gehonoreerd zullen worden. In casu gaat het om claims . Een loutere hoop of subjectieve verwachting is onvoldoende. De legitimate expectation van honorering ‘must be of a nature more concrete than a mere hope and be based on a legal provision or a legal act such as a judicial decision’. Een judicial decision was op 29 juni 2018 nog niet voorhanden, maar een legal provision wel, nl. art. 96 en 97(2) Wfsv. Uit de parlementaire geschiedenis van die bepalingen volgt dat de werkgever noch de Inspecteur kon afwijken van de sectorindeling die naar de feiten beoordeeld rechtstreeks (‘van rechtswege’) uit de wet volgt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cf87dfa063482265ee1a12693b47d9f5790c837d1a82644ebdd00afb7eeb601b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cf87dfa063482265ee1a12693b47d9f5790c837d1a82644ebdd00afb7eeb601b, en de alinea staat in dat document op bytes 33644 tot 35057.