Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 augustus 2021
Onder 5.14.3 Parket bij de Hoge Raad 16 augustus 2021
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:757.
Indien ten tijde van de beoordeling door de rechter de bedenktermijn is verlopen en de eiser zich (eventueel impliciet, door betaling van de prijs te vorderen) op het standpunt stelt dat de consument het ontbindingsrecht niet heeft uitgeoefend, dan dient de rechter m.i. in beginsel van de juistheid van die stelling uit te gaan. De handelaar die betaling van de prijs vordert, behoeft naar mijn mening niet te stellen (en dus ook niet te bewijzen) dat de consument zijn ontbindingsrecht niet heeft uitgeoefend. Op de consument rust immers de bewijslast voor de juiste en tijdige uitoefening van het ontbindingsrecht binnen de bedenktermijn (art. 6:230o lid 5 BW). Zolang de overeenkomst niet is ontbonden, bindt zij partijen. Bevat het dossier echter aanknopingspunten waaraan de rechter het vermoeden ontleent dat de consument wel gebruik heeft gemaakt van het ontbindingsrecht (bijvoorbeeld omdat daaruit blijkt dat de consument op enigerlei wijze heeft aangeven van de overeenkomst af te willen) en kan de rechter vaststellen dat dit is gebeurd binnen de bedenktermijn, dan kan de rechter daaraan een vermoeden ontlenen dat de vordering ongegrond is (art. 139 Rv). In dat geval ligt het m.i. wel op de weg van de eiser om aan te tonen waarom zijn vordering toch voor toewijzing in aanmerking komt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/65bbb371826d477338bb08b3d549f6ebeea8c9c2226ba22675665b5769ca708a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 65bbb371826d477338bb08b3d549f6ebeea8c9c2226ba22675665b5769ca708a, en de alinea staat in dat document op bytes 86514 tot 87991.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/65bbb371826d477338bb08b3d549f6ebeea8c9c2226ba22675665b5769ca708a | shasum -a 256