Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021
Onder 2.17 Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:772.
Blijkens deze uitspraak is het aan de verrekenplichtige echtgenoot om ter ontzenuwing van het wettelijk vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW te stellen en zo nodig te bewijzen dat aanwezig vermogen niet is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Uit eerdere en latere rechtspraak van uw Raad valt af te leiden dat het er bij dit tegenbewijs om gaat te stellen en, zo nodig, aannemelijk te maken dat de waarde van een vermogensbestanddeel op de peildatum niet is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden resp. niet tot het te verrekenen vermogen behoort. In de uitspraak van 16 oktober 2020 wordt daaraan toegevoegd dat van de verrekenplichtige echtgenoot in het kader van de weerlegging van het wettelijk vermoeden mag worden verwacht dat hij aanvoert hoe de vermogensbestanddelen in kwestie zijn gefinancierd of verkregen en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cddcbdf6862c545fbcef66fd17d6d2e84a1918fbc1ba605d0d3009238b09e063. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cddcbdf6862c545fbcef66fd17d6d2e84a1918fbc1ba605d0d3009238b09e063, en de alinea staat in dat document op bytes 35357 tot 36409.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cddcbdf6862c545fbcef66fd17d6d2e84a1918fbc1ba605d0d3009238b09e063 | shasum -a 256