Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021

Onder 2.18 Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:772.

Het vermoeden uit art. 1:143 lid 3 BW geldt ook als een investering heeft plaatsgevonden in de eigen onderneming, die op grond van de in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen vermogensscheiding privé is gebleven. Heeft een van de echtgenoten een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, dan wordt vermoed dat deze onderneming geheel tot het te verrekenen vermogen behoort. Tot het te verrekenen vermogen behoren dan de goederen en schulden van de onderneming. Kort en goed leidt art. 1:141 lid 3 BW er dus toe dat alle vermogensbestanddelen tussen de echtgenoten verrekend moeten worden, met uitzondering van de vermogensbestanddelen waarvan partijen kunnen bewijzen dat die niet onder de verrekenplicht vallen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cddcbdf6862c545fbcef66fd17d6d2e84a1918fbc1ba605d0d3009238b09e063. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cddcbdf6862c545fbcef66fd17d6d2e84a1918fbc1ba605d0d3009238b09e063, en de alinea staat in dat document op bytes 36473 tot 37396.