Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021

Onder 2.19 Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:772.

Volgens de tekst van art. 1:141 lid 3 BW geldt een uitzondering op het bewijsvermoeden wanneer uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Hierbij valt te denken aan het geval dat het aanwezige vermogen grotendeels betrekking heeft op aangebracht en/of krachtens erfrecht of schenking verkregen vermogen, terwijl er uitsluitend een periodiek verrekenbeding met betrekking tot arbeidsinkomsten – die van veel geringere omvang blijken te zijn – is overeengekomen. Deze uitzondering op het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW dient strikt te worden uitgelegd, in die zin dat deze niet is bedoeld als een algemene billijkheidstoets op het resultaat van de toepassing van het bewijsvermoeden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cddcbdf6862c545fbcef66fd17d6d2e84a1918fbc1ba605d0d3009238b09e063. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cddcbdf6862c545fbcef66fd17d6d2e84a1918fbc1ba605d0d3009238b09e063, en de alinea staat in dat document op bytes 37460 tot 38374.