Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 september 2021
Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 3 september 2021
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:783.
Terzijde merk ik nog op dat het hof met het oordeel in rov. 8.3 dat de officier van justitie de onrechtmatigheid van de boetebeschikkingen niet in zijn beslissingen heeft erkend, primair lijkt te refereren aan de in rov. 8.1 vierde gedachtestreepje genoemde uitzondering op de formele rechtskracht die bij een dergelijke erkenning geldt op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad. Voor dit oordeel zijn genoemde vaststellingen van het hof in rov. 8.2 eerste twee gedachtestreepjes niet nodig en niet relevant. Het is dan ook duidelijk dat het hof met die vaststellingen het oog erop heeft dat (ook) geen grond bestond voor die erkenning, omdat de beschikkingen niet onrechtmatig waren (dus het hiervoor in 3.13 als tweede genoemde oordeel). Dat biedt nader steun voor de lezing van het arrest van het hof hiervoor in 3.13 derde alinea. Overigens wijs ik erop dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van genoemde erkenning, niet door het middel wordt bestreden. Dat is begrijpelijk, want dat van een erkenning sprake zou zijn, is geen grondslag van de vordering van [eiseres] .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a1cf10d089168490d0062ac24b1836f9065e04605bd1845656a5c2f1fbaabcda. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a1cf10d089168490d0062ac24b1836f9065e04605bd1845656a5c2f1fbaabcda, en de alinea staat in dat document op bytes 48479 tot 49705.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a1cf10d089168490d0062ac24b1836f9065e04605bd1845656a5c2f1fbaabcda | shasum -a 256