Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021

Onder 3.5 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:866.

Hieraan doet ten eerste niet af wat het onderdeel onder (ii) aanvoert, en blijkens rov. 3.6 ook door het hof in zijn beoordeling is betrokken: nog daargelaten dat de daarin bedoelde melding van betalingsonmacht en wetenschap ter zake bij de Ontvanger primair betekenis heeft voor de bestuurdersaansprakelijkheid van art. 36 Invorderingswet 1990 (dus niet zozeer in dit verband), het daarin aangevoerde staat naar de aard niet in de weg aan ’s hofs vaststelling in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin dat [eiseressen] “bewust ervoor hebben gekozen” die ontvangen omzetbelasting ad € 832.000,-- aan te wenden “voor de voldoening van andere schulden” dan die onderliggende omzetbelastingschuld ad € 1.010.215,--, wat meebrengt dat zij ter zake niet, althans niet in de vereiste mate, in omstandigheden verkeerden die het hen feitelijk onmogelijk maakten om tijdig hun verplichtingen na te komen, zoals bedoeld in art. 75.7 Leidraad (waarover ook hiervoor, alsmede onder 3.11 en 3.13 hierna). Gelet hierop leidt ook hetgeen het onderdeel onder (iii) en (iv) aanvoert, en blijkens rov. 3.6 ook door het hof in zijn oordeel is betrokken, niet tot een andere uitkomst, omdat dit naar de kern genomen (slechts) betrekking heeft op, wat art. 75.7 Leidraad noemt, de onredelijkheid en onbillijkheid van de invordering van de vervolgingskosten (“en bovendien de invordering van de vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval - onredelijk en onbillijk is”), terwijl het in art. 75.7 Leidraad gaat om cumulatieve criteria (“bovendien”, etc.), zodat steeds ook is vereist, in de woorden van art. 75.5 Leidraad, dat “de belastingschuldige aantoont in omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen”, hetgeen, naar ook blijkt uit ’s hofs vaststelling in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin, [eiseressen] dus niet, althans niet in de vereiste mate, hebben kunnen aantonen. Daarmee valt ook het doek voor hetgeen het onderdeel onder (i) aanvoert, en blijkens rov. 3.6 ook door het hof in zijn oordeel is betrokken, reeds nu daaruit niet kan volgen dat [eiseressen] wel (in de vereiste mate) in omstandigheden verkeerden die het hen feitelijk onmogelijk maakten om tijdig hun verplichtingen na te komen, zoals bedoeld in art. 75.7 Leidraad. Dat behoeft verder geen betoog. Ten aanzien van hetgeen het onderdeel onder (v) nog aanvoert, geldt dat dit: ofwel enkele algemene stellingen betreft (geen concrete feiten en omstandigheden), die blijkens rov. 3.6 ook door het hof in zijn beoordeling zijn betrokken, waarvan (ook met inachtneming van het in het onderdeel onder (i) t/m (iv) aangevoerde) zonder toelichting, die (ook) in het onderdeel ontbreekt, niet valt in te zien waarom deze het door het onderdeel bestreden oordeel van het hof in rov. 3.7 ontoereikend gemotiveerd zouden doen zijn; ofwel betrekking heeft op art. 75.11 Leidraad, welke - van art. 75.7 Leidraad te onderscheiden - bepaling ziet op een wezenlijk andere situatie dan zich in de onderhavige zaak voordoet (want het geval waarin op dezelfde dag aan een en dezelfde belastingschuldige meerdere dwangbevelen worden betekend, en alsdan slechts eenmaal het maximumtarief is verschuldigd) en waarop [eiseressen] zich, blijkens ’s hofs in cassatie onbestreden oordeel in rov. 3.3 en 3.6 (waarop rov. 3.7 voortbouwt), in feitelijke instantie niet (ook) hebben beroepen, waaruit volgt dat het onderdeel ook in zoverre spaak loopt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98, en de alinea staat in dat document op bytes 57031 tot 61342.