Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021

Onder 3.10 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:866.

Subonderdeel 1.4.1 klaagt dat ’s hofs oordeel (in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin van het arrest) uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof heeft miskend dat slechts één vennootschap met de verkoop van “kranen” € 832.000,-- heeft gegenereerd en niet alle acht vennootschappen deze € 832.000,--. Het hof heeft over het hoofd gezien, zo betoogt het subonderdeel, dat bij één van de acht vennootschappen de sale-and-lease-back-transactie heeft plaatsgevonden en € 832.000,-- is gegenereerd, zodat de “desbetreffende redenering” van het hof hooguit één van de acht aansprakelijkgestelden dekt en niet alle acht. Immers, ieder van de aansprakelijkgestelden is een eigen (rechts)persoon volgens Boek 2 BW, en zij zijn niet over en weer verantwoordelijk voor wat de ander met de liquiditeiten doet. Als er voor één vennootschap de mogelijkheid zou zijn geweest te betalen - quod non - dan geldt dat niet voor alle overige zeven vennootschappen, aan wie elk ook de maximale kosten van invordering ad € 11.393,-- in rekening zijn gebracht, aldus nog steeds het subonderdeel. Derhalve heeft het hof, zo vervolgt het subonderdeel, zeven van de acht aansprakelijkgestelden ten onrechte het “volstrekt onjuiste” verwijt gemaakt dat zij er schuld aan hebben “dat een verkoopbedrag van € 832.000,-- verschuldigde omzetbelasting” bij een aantal kranen in het kader van een sale-and-lease-back-transactie niet is benut om daarmee de bijbehorende omzetbelastingschuld te voldoen, zulks terwijl alleen de verkopende vennootschap daarvan een verwijt kan worden gemaakt. “Deze redenering” van het hof is, zo klaagt het subonderdeel, “mogelijk” in strijd met Europese rechtspraak wat betreft de zeven anderen, nu het betreft de invordering van omzetbelasting en daarvoor het communautair evenredigheidsbeginsel geldt, welk beginsel zich verzet tegen ‘disproportionaliteit’ en ook tegen het maken van een verwijt aan zeven van de acht aansprakelijkgestelden voor andermans handelen, waaraan zij niets kunnen doen. Ook uit dit beginsel vloeit een plicht tot maatwerk voort, aldus nog altijd het subonderdeel, als gevolg waarvan zevenmaal € 11.393,-- dient te vervallen, zeker als onder ogen wordt gezien dat de daadwerkelijke kosten (zoals een commercieel deurwaarder zou hebben gerekend) € 100,-- per betekening zouden hebben bedragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98, en de alinea staat in dat document op bytes 73104 tot 75643.