Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021

Onder 3.11 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:866.

Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. [eiseressen] hebben zich in feitelijke instanties (onder meer) beroepen op art. 75.7 Leidraad en aangevoerd dat “de [Group] ” door de gevolgen van de financiële crisis in zwaar weer was gekomen en met name in de jaren 2011 t/m 2013 door overmacht niet in staat was om aan haar belastingverplichtingen te voldoen. In zijn conclusie van antwoord (dus in eerste aanleg) heeft de Ontvanger onder meer gesteld, kort gezegd, dat “het bestuur van de [Group] ” ervoor koos om de omzetbelastingcomponent van de ontvangen koopsom van de kranen (in het kader van de sale-and-lease-back-transactie) niet aan te wenden om de omzetbelasting te voldoen, maar om andere betalingen te verrichten, zodat van overmacht geen sprake was. Uit de gedingstukken blijkt niet van enige (laat staan gemotiveerde) betwisting door [eiseressen] van deze stelling van de Ontvanger, en daarnaar verwijst het subonderdeel ook niet. Dit sluit in dat [eiseressen] zich er evenmin op hebben beroepen dat slechts één (of enkele) van de vennootschappen die samen [eiseressen] vormen deze gedragslijn heeft (hebben) gevolgd, meer in het bijzonder de bewuste betalingen heeft (hebben) gedaan, en de overige niet. Integendeel, [eiseressen] hebben in feitelijke instanties steeds gesproken van “de [eiseres 1] Group” (of een variant daarop, zoals “de betreffende [vennootschappen] ”), zonder kenbaar op enige betekenisvolle, relevante wijze te onderscheiden tussen de individuele vennootschappen die tezamen deze groep uitmaakten. Zij hebben, zij het in een wat ander verband, juist ook benadrukt dat sprake was van “samenhang tussen de belastingschuldigen” en zelfs van “dezelfde belastingschuld ten name van één belastingschuldige, te weten de fiscale eenheid [Group] ”. Tegen deze achtergrond moet worden bezien ’s hofs oordeel in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin van het arrest dat tussen partijen (als onvoldoende betwist) vaststaat dat, kort gezegd, de onderliggende omzetbelastingschuld grotendeels ziet op verschuldigde omzetbelasting in verband met de verkoop van een aantal kranen, waarbij de ontvangen omzetbelasting (de omzetbelastingcomponent van de ontvangen koopsom) door “ [eiseressen] ” (waarmee het hof doelt op de acht appellanten) bewust is gebruikt voor de voldoening van andere schulden. Bij het genoemde ontbreken van een relevante feitelijke betwisting zijdens [eiseressen] van genoemde stellingname van de Ontvanger, welke uitleg van de gedingstukken door het hof blijkens het voorgaande geenszins onbegrijpelijk is, had het hof daarvan uit te gaan (vgl. art. 149 lid 1 Rv) en is aldus ten aanzien van ieder van de acht betrokken vennootschappen (die tezamen de groep [eiseressen] vormen) deze gedragslijn, met inbegrip van de bewuste betalingen, komen vast te staan. Overigens maakt ook het subonderdeel niet duidelijk om welke specifieke, te onderscheiden vennootschap(pen) het dan wel of niet zou zijn gegaan. Dit maakt dat hetgeen het subonderdeel aanvoert niet meebrengt dat ’s hofs oordeel in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin als rechtens onjuist of ontoereikend gemotiveerd valt aan te merken. ’s Hofs oordeel ter zake sluit dan immers naadloos aan op het partijdebat, zoals geenszins onbegrijpelijk verstaan door het hof. En van een in dat verband ‘over het hoofd zien’ dat de sale-and-lease-back-transactie plaatsvond bij slechts één van de acht vennootschappen is dan immers geen sprake, noch doet zich dan voor dat de “desbetreffende redenering” van het hof hooguit één van de acht aansprakelijkgestelden dekt, of een miskenning dat ieder van de aansprakelijkgestelden “een eigen (rechts)persoon” is, zoals geregeld in Boek 2 BW, die over en weer niet verantwoordelijk zijn voor wat de ander met de liquiditeiten doet, laat staan dat aan “7 van de 8 aansprakelijkgestelden” ten onrechte het volstrekt onjuiste verwijt wordt gemaakt, zoals bedoeld in het subonderdeel. Reeds op dit een en ander loopt ook vast het (voorzichtige) beroep (“Deze redenering is voorts mogelijk in strijd met”, etc.) van het subonderdeel op Europese rechtspraak en het communautaire evenredigheidsbeginsel, welk beroep immers, naar de kern genomen, evenzo ervan uitgaat dat aan zeven van de acht vennootschappen zo’n volstrekt onjuist verwijt wordt gemaakt, wat dus grond mist. Hierop stuit het subonderdeel af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98, en de alinea staat in dat document op bytes 75729 tot 80709.