Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021
Onder 3.13 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:866.
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende. In feitelijke instanties hebben [eiseressen] geen concrete stellingen ingenomen waaruit zou blijken dat zij, althans één of meer van hen, in de destijds gegeven omstandigheden geen mogelijkheid hadden de bewuste som van € 832.000,-- tijdig aan te wenden voor de omzetbelastingschuld aan de Belastingdienst (ad totaal € 1.010.215,--) in plaats van voor de voldoening van andere schulden, zoals bedoeld in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin van het arrest. Het subonderdeel wijst ook niet op dergelijke stellingen, laat staan met verwijzing naar vindplaatsen. In de inleidende dagvaarding, nrs. 8-9 staat dit eenvoudigweg niet. Dat het hof dit daarin niet heeft gelezen, is dan ook geenszins onbegrijpelijk. Anders dan het subonderdeel suggereert, heeft de Ontvanger dergelijke stellingen evenmin ingenomen, ook niet in de conclusie van antwoord, nr. 2.14 en productie 4 bij de conclusie van antwoord (waarop [eiseressen] zich in feitelijke instanties ook niet hebben beroepen; het subonderdeel wijst ook niet op dergelijke stellingen, laat staan met verwijzing naar vindplaatsen). Dat het hof dit daarin niet heeft gelezen, is geenszins onbegrijpelijk, temeer niet indien daarbij wordt betrokken wat door de Ontvanger is aangevoerd in de conclusie van antwoord nrs. 2.7 en 6.1-6.6 en geresumeerd in de antwoord-akte d.d. 7 mei 2019 zijdens de Ontvanger, nr. 7 (waaronder: “Het bestuur van de [Group] heeft ervoor gekozen de omzetbelastingcomponent van de koopsom van de kranen niet aan te wenden om de omzetbelasting op aangifte te betalen, maar om andere betalingen te verrichten”), waaruit blijkt (“Het bestuur van de [Group] heeft ervoor gekozen”, etc.) dat de Ontvanger ervan is uitgegaan, zoals overgenomen door het hof in rov. 3.7, tweede alinea, slotzin (“Hierbij is van belang dat tussen partijen (als onvoldoende betwist) vaststaat dat”, etc.), dat [eiseressen] destijds keuzevrijheid toekwam wat betreft de aanwending van de bewuste som van € 832.000,--, en het dus feitelijk (niet on)mogelijk was dat geld aan te wenden voor genoemde omzetbelastingschuld aan de Belastingdienst (ad totaal € 1.010.215,--), maar niettemin door hen dit bedrag aan ontvangen omzetbelasting bewust is gebruikt voor de voldoening van andere schulden dan die omzetbelastingschuld. Zoals ook uiteengezet onder 3.11 hiervoor, bij de behandeling van subonderdeel 1.4.1, is dit een en ander door [eiseressen] in feitelijke instanties ook niet (gemotiveerd) bestreden. De stelling dat er sprake zou zijn geweest van een situatie waarin “één vennootschap in het kader van de reorganisatie onder dwang van de Rabobank de € 832.000 niet heeft aangewend voor de betaling van de omzetbelastingschuld maar voor andere schulden”, zoals het subonderdeel nog als “feit” poneert, heb ik in de gedingstukken niet aangetroffen; het subonderdeel noemt hier evenmin een vindplaats. Ook hier wijs ik op de uiteenzetting onder 3.11 hiervoor. Overigens wordt in het in noot 74 hiervoor opgenomen citaat uit “het verslag van de besprekingen” ervan uitgegaan dat die som (“het ontvangen geld inzake de verschuldigde omzetbelasting”) “onder meer” is aangewend om de door de Rabobank aangestelde bestuurders/adviseurs te betalen, wat afwijkt van hetgeen het subonderdeel daarvan maakt (onder meer “dat € 832.000 is aangewend om”, etc.), en valt in de conclusie van antwoord, nr. 2.14 en productie 4 bij de conclusie van antwoord (waarover ook noot 74 hiervoor) niet te lezen dat de Ontvanger rept van door de Rabobank “verplicht” aangestelde bestuurders/adviseurs, anders dan het subonderdeel het doet voorkomen. Het moge zo zijn dat (in de woorden van het subonderdeel) “[h]et geld maar één keer [kan] worden uitgegeven”, aan het voorgaande doet dat logischerwijs niet af, net zo min als de verwijzing in het subonderdeel naar de inleidende dagvaarding, nrs. 8-9 (“Daarom is ook aangegeven dat”, etc.), waarover ook hiervoor, en de verwijzing naar (dat citaat uit) dat Hoge Raad-arrest van 12 april 2019 in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid. Het is daarmee genoegzaam duidelijk dat wat het subonderdeel aanvoert, voor zover dit al uitgaat van een juiste lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag heeft, niet meebrengt dat het hof aldus oordelend in rov. 3.7 is uitgegaan van een onjuiste uitlegging van “feitelijk onmogelijk zijn verplichtingen” te voldoen in de zin van art. 75.7 Leidraad of blijk heeft gegeven van een ontoereikende motivering. Dit behoeft geen verdere toelichting. Hierop stuit het subonderdeel af.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98, en de alinea staat in dat document op bytes 82637 tot 87838.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98 | shasum -a 256