Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021

Onder 3.3 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:866.

Tegen deze achtergrond bezie ik het onderdeel, waarnaar ik nu terugkeer. Wat het hof m.i. tot uitdrukking brengt in de door het onderdeel aangevallen overweging in rov. 3.7, eerste alinea, derde zin van het arrest, in het bijzonder met de verwijzing naar “onmiskenbaar onjuist was” (en dat Hoge Raad-arrest van 8 juli 1993), is dat het ter zake acht moet slaan op de feiten en omstandigheden van het geval, maar, als restrechter in civilibus, de Ontvanger eerst kan verplichten tot ambtshalve vermindering van de in rekening gebrachte vervolgingskosten als, kort gezegd, de beslissing de kosten niet te verminderen, mede in het licht van art. 75.7 Leidraad, niet bestand is tegen de hier aan te leggen toets waaraan een zekere beperking/begrenzing inherent is en waarbij dan ook een dito terughoudende rechterlijke opstelling past, want neerkomend op de vraag of sprake is van een beslissing die kennelijk - in de zin van duidelijk, ontegenzeggelijk, klaarblijkelijk, oftewel onmiskenbaar - onjuist is (welke vraag het hof dus gemotiveerd ontkennend beantwoordt). , Daarmee heeft het hof, gelet op het voorgaande, en anders dan het onderdeel aanvoert, wat mij betreft in het onderhavige geval geen “onjuiste (en veel te strenge)” toets aangelegd (dus voor [eiseressen] te streng), wat insluit dat het hof, kort gezegd, de voorliggende “concrete beslissing” van de Ontvanger niet nog weer verdergaand (in de zin van strenger voor de Ontvanger) hoefde te toetsen dan het, in het bijzonder in rov. 3.6-3.7, concreet doet (mede) aan de hand van criteria, doel en strekking van art. 75.7 Leidraad, zoals bedoeld in het onderdeel. Hieraan doet niet af dat genoemd Hoge Raad-arrest van 8 juli 1993 een andere situatie betrof dan de onderhavige, nu de in dat arrest gevolgde benadering, zoals nadien toegepast in onder meer dat betrekkelijk recente arrest van het gerechtshof Den Haag, zich naar de aard niet beperkt tot zo’n specifieke situatie als in dat arrest uit 1993 aan de orde en ook laat doortrekken naar een geval als het onderhavige (daarop toegespitst), waarin [eiseressen] , naar het hof ook heeft onderkend in rov. 3.7, eerste alinea, eerste zin, niet binnen de daarvoor geldende termijnen op de voet van art. 7 lid 1, eerste zin Kostenwet rechtsmiddelen hebben aangewend tegen de (door de belastingdeurwaarder) in rekening gebrachte vervolgingskosten en in de kern bezwaren opwerpen tegen de gemotiveerde ambtshalve beslissing van de Ontvanger tot afwijzing van hun verzoek tot vermindering van die kosten naar een bedrag van maximaal € 11.393,--. Dat, naar het onderdeel nog aanvoert, de Ontvanger het aldus “(bijna) nooit fout” kan doen, gaat aan dit een en ander ten onrechte voorbij, met inbegrip van het gegeven, naar het hof niet heeft miskend in rov. 3.7, eerste alinea, tweede zin, dat als [eiseressen] wel binnen de daarvoor geldende termijnen op de voet van art. 7 lid 1, eerste zin Kostenwet rechtsmiddelen hadden aangewend tegen de (door de belastingdeurwaarder) in rekening gebrachte vervolgingskosten, en zij vervolgens beroep bij de belastingrechter hadden ingesteld (de ter zake primair aangewezen rechter), zij in dat geval in dat kader, binnen de daar geldende mogelijkheden (wat het hof kortweg noemt: “ten volle”), de vraag hadden kunnen laten toetsen of de Ontvanger overeenkomstig de wet en art. 75.7 Leidraad of in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur tot vermindering van die kosten had moeten besluiten. Het door het onderdeel - overigens zonder verdere toelichting - verder nog gedane beroep op de NJ -annotatie van Scheltema onder dat Hoge Raad-arrest (“Zie ook”, etc.) resulteert evenmin in een andere uitkomst, reeds omdat nergens uit blijkt dat het hof bij die beoordeling van de voorliggende “concrete beslissing” van de Ontvanger geen acht heeft geslagen op de door Scheltema genoemde aspecten zoals geciteerd in het onderdeel, waarbij zij aangetekend dat het onderdeel zelf alleen uitgaat van een toetsing “aan de hand van de criteria van art. 75, lid 7, LI en doel en strekking van art. 75, lid 7, LI”, en ook door Scheltema wordt gerekend met een passend terughoudende opstelling door de burgerlijke rechter als restrechter ter zake wanneer zijn annotatie als geheel wordt bezien, hetgeen het onderdeel niet doet. Bij deze stand van zaken, waaruit volgt dat de door het onderdeel verdedigde opvatting, die door het hof niet is gehuldigd, geen steun vindt in het recht, valt niet in te zien dat ’s hofs door het onderdeel bestreden oordeel in rov. 3.7, eerste alinea, derde zin wel blijk zou geven van een ontoereikende motivering zoals bedoeld in het onderdeel (“danwel is een en ander onvoldoende gemotiveerd”), wat verder ook van iedere toelichting verstoken is gebleven. Hierop stuit het onderdeel af.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 521950b08c96ca178fcfb142184ffca9b20fc55f6ce64d718075f7b01e3ecf98, en de alinea staat in dat document op bytes 43006 tot 48701.