Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2021

Onder 2.18 Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2021

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:87.

De regeling van art. 40 Fw is (evenals die van art. 39 Fw) bovendien uitputtend in die zin, dat een opzegging overeenkomstig deze regel als een ‘regelmatige wijze van beëindiging’ wordt beschouwd, die ‘geen schadeplichtigheid’ doet ontstaan. Dit laat onverlet dat de gefailleerde op grond van een vóór het faillissement overeengekomen insolventieclausule, inhoudend dat de overeenkomst in geval van faillissement van rechtswege wordt ontbonden , wel schadeplichtig kan zijn. De desbetreffende schadevordering kan ter verificatie worden ingediend. Volgens de Hoge Raad wordt dáármee de aan art. 39 en 40 Fw ten grondslag liggende belangenafweging niet onaanvaardbaar doorkruist. Ook een vordering die strekt tot vergoeding van schade ten gevolge van een onbevoegde opzegging door de curator (dus anders dan overeenkomstig het eerste lid) is niet in strijd met het gesloten stelsel van art. 39 en 40 Fw. Een dergelijke vordering resulteert in een boedelschuld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/de902deb3473613cbb680bb0ac64a5250592aa1591e044c354135b4ff6b5142a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt de902deb3473613cbb680bb0ac64a5250592aa1591e044c354135b4ff6b5142a, en de alinea staat in dat document op bytes 46363 tot 47643.