Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 november 2022

Onder 3.21 Parket bij de Hoge Raad 1 november 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1012.

Het verschil met de onderhavige zaak is dat het hof, zoals hiervoor onder 3.7-3.12 besproken, anders dan in het hiervoor aangehaalde arrest van 25 mei 2021, in mijn ogen wel voldoende beargumenteerd heeft aangenomen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 288 lid 1 sub b Sv. Het hof heeft in de onderhavige zaak echter ook vastgesteld dat het gewicht van de verklaringen van de getuige in de bewijsconstructie aanzienlijk is en daarbij overwogen dat deze voor het bewijs van de meeste feitelijkheden van de tenlastelegging van doorslaggevende betekenis zijn. Voor de beoordeling van de overkoepelende vraag, of de procedure in haar geheel heeft voldaan aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, komt het dus aan op de compenserende factoren die het hof in zijn belangenafweging heeft meegewogen én of deze afdoende zijn om het ontbreken van het ondervragingsrecht ten aanzien van een getuige wiens verklaringen van doorslaggevende betekenis zijn te compenseren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca8ee5fa293a7d7332ebc964678afa3f3c3d2dce7b1f5a867ed22068c9fb6872. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca8ee5fa293a7d7332ebc964678afa3f3c3d2dce7b1f5a867ed22068c9fb6872, en de alinea staat in dat document op bytes 99704 tot 100724.