Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2022

Onder 2.15 Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:14.

De stukken van beslissende aard moeten bovendien door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden. Om daarvan te kunnen spreken zal ten minste gesteld moeten kunnen worden dat de wederpartij hangende het oorspronkelijke geding over deze stukken de beschikking had, althans het bestaan daarvan kende en de beschikking daarover kon krijgen. Het achterhouden behoeft geen bedrieglijk karakter te hebben. Daardoor onderscheidt deze grond zich van in de procedure gepleegd bedrog. Voor toedoen van de wederpartij is derhalve opzet (willens en wetens) bij het achterhouden van stukken niet vereist, maar is lichte schuld ( 'culpa' ) voldoende. Ook bij een ‘nalaten’ of een ‘niet doen’ kan van een toedoen als in art. 382 sub c Rv bedoeld worden gesproken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77adcc86001522ae73387842f57b8096d1cc3398998201beb3fc2bc347b9194e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77adcc86001522ae73387842f57b8096d1cc3398998201beb3fc2bc347b9194e, en de alinea staat in dat document op bytes 23916 tot 24978.