Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2022

Onder 3.11. Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:17.

In de rechtspraak van het EHRM over het ondervragingsrecht wordt een onderscheid gemaakt tussen prosecution witnesses (“persons whose deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction and which thus constitutes evidence for the prosecution”) en defence witnesses (“witnesses whose statements are in favour of the defendant”). Bij de vaststelling welke personen als getuigen in de zin van art. 6 lid 3 sub d EVRM moeten worden aangemerkt, gaat het EHRM uit van een autonome interpretatie. Dit brengt mee dat niet doorslaggevend is de juridische of taalkundige betekenis, maar de betekenis die het EHRM hieraan toekent. Het lijkt bij de vraag wanneer iemand kan worden aangemerkt als ‘getuige’ te gaan om de daadwerkelijke verklaring die iemand heeft afgelegd, hetgeen op verschillende momenten in de strafprocedure kan plaatsvinden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0895cb0d692c5d7ad8c4ec4646a3a33249a2c3be0e90453e3fbcb526ad04e4fc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0895cb0d692c5d7ad8c4ec4646a3a33249a2c3be0e90453e3fbcb526ad04e4fc, en de alinea staat in dat document op bytes 57438 tot 58451.