Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2022

Onder 3.13. Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:17.

Ook in de nationale rechtspraak lijkt eenzelfde opvatting te gelden. Zo oordeelde de Hoge Raad in de zaak die leidde tot HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4149 dat onder ‘een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt’ in de zin van art. 344a lid 3 Sv niet worden verstaan een tapverslag van een telefoongesprek waaraan een anoniem gebleven persoon deelneemt. Ook in HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8925, NJ 2005/383, m.nt. Buruma lijkt de Hoge Raad het daadwerkelijk afleggen van een verklaring doorslaggevend te vinden. In deze zaak had een getuige verklaard over hetgeen hij had gehoord van iemand die hij aanduidde als Th. De verdediging wenst deze Th. te horen, ook al had hij zelf geen verklaring afgelegd. Th. werd zowel door het hof als de Hoge Raad echter niet als ‘getuige’ aangemerkt, waarschijnlijk omdat hij niet degene was die de verklaring had afgelegd. Om deze reden meent Dubelaar in haar proefschrift dan ook dat dagboekaantekeningen en brieven niet zullen worden aangemerkt als getuigenverklaringen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0895cb0d692c5d7ad8c4ec4646a3a33249a2c3be0e90453e3fbcb526ad04e4fc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0895cb0d692c5d7ad8c4ec4646a3a33249a2c3be0e90453e3fbcb526ad04e4fc, en de alinea staat in dat document op bytes 59579 tot 60742.