Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2022

Onder 3.27 Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:182.

Uit hetgeen hiervoor in 3.16-3.19 is opgemerkt over de betekenis van art. 14 Richtlijn, volgt dat deze onzekerheid niet op zijn plaats is als inderdaad, zoals de wetgever heeft gemeend, met betrekking tot het verbod aan de hiervoor in 3.20 vermelde, blijkens het juist hiervoor geciteerde uitdrukkelijk door de wetgever onderkende eisen is voldaan. Kennelijk is hij zekerheidshalve voor meerdere ankers gaan liggen. Wat betreft art. 193 VWEU is hiervoor in 3.5 al opgemerkt dat deze bepaling niet als zelfstandig grondslag kan dienen voor het verbod en dat de Staat dat (inmiddels) zelf ook inziet, nu hij het oordeel van het hof in die zin niet bestrijdt. Wat betreft art. 80a Wgb volgt uit onderdeel 2.4.1 dat de Staat zich ook neerlegt bij het oordeel van het hof dat art. 12 Richtlijn alleen betrekking heeft op de daarin genoemde specifieke gebieden en dus geen betrekking heeft op de andere gebieden die het verbod mede omvat. Dat lijkt me terecht want de specifieke gebieden waarop art. 12 Richtlijn betrekking heeft, zijn daarin onder a)-c) nauwkeurig omschreven. In de nota van toelichting wordt dat onder 5.2 ook met zoveel woorden onderkend (zie de op twee na laatste alinea van het citaat hiervoor in 3.25).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eaddcd22fa2b1d17b96332bbb83a4ff6caae131f7160f7d8e8d6361a871dd641. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eaddcd22fa2b1d17b96332bbb83a4ff6caae131f7160f7d8e8d6361a871dd641, en de alinea staat in dat document op bytes 62059 tot 63356.