Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2022
Onder 3.13 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2022
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:201.
M.i. wordt in rov. 3.5 en 3.6 in de eerste plaats voortgeborduurd op de door het hof gekozen maatstaf in rov. 3.4 en oordeelt het hof dat het onderhavige verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor niet aan het vereiste van art. 166 lid 1 Rv voldoet, daar waar het hof de feiten bespreekt die [verzoeker] heeft gesteld en die door CEB zijn betwist. In zoverre geldt hetgeen ik hierboven met betrekking tot subonderdeel 1.1 heb vermeld. Daarnaast past het hof in de bestreden rov. 3.5 en 3.6 de toets toe of de door [verzoeker] in het verzoekschrift gestelde afspraken tussen partijen, in de bodemzaak kan leiden tot toewijzing van de vordering die hij aan deze afspraken wil ontlenen (zie onder andere met zoveel woorden de derde volzin van rov. 3.6). In zoverre heeft het hof miskend dat in de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voorligt (zie hierboven onder 3.8). Het subonderdeel slaagt dus.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3d7db5af467ba45e1ef34caf22ae847b07aba74aac947a7036340652b53a325d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3d7db5af467ba45e1ef34caf22ae847b07aba74aac947a7036340652b53a325d, en de alinea staat in dat document op bytes 29506 tot 30563.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3d7db5af467ba45e1ef34caf22ae847b07aba74aac947a7036340652b53a325d | shasum -a 256