Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022

Onder 3.20 Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:328.

Ook andere auteurs nemen aan dat de vergoedingsvorderingen – zodra ze ontstaan – zijn aan te merken als gewone vorderingsrechten, die op grond van de algemene beginselen van ons vermogensrecht direct opeisbaar zijn, voor zover de beginselen van redelijkheid en billijkheid zich daartegen niet verzetten. Volgens Van Mourik en Schols spelen de redelijkheid en billijkheid te dezer zake een grote rol, mede gelet op de aard van de huwelijksverhouding. In de literatuur wordt in dit verband verdedigd dat de redelijkheid en billijkheid zich in het algemeen niet zullen verzetten tegen directe opvordering, maar dat dit beginsel soms kan meebrengen dat met het uitoefenen van een vergoedingsrecht gewacht moet worden tot de ontbinding van de gemeenschap of zelfs de verdeling daarvan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ea8cb23ecd212037c77c06f3ffde0c33c04006aac685e4fe7c100ca54bf30e2, en de alinea staat in dat document op bytes 49889 tot 50877.